Alle elektriciteitsproductie-installaties die parallel met het Belgische distributienet werken of daar technisch toe in staat zijn, moeten voldoen aan het technisch voorschrift C10/11 en dienen gehomologeerd en opgenomen zijn in de C10/26-lijst.
Deze C10/26-typehomologatie geldt onder meer voor omvormers voor zonnepanelen en/of batterijen, dieselgroepen, bi-directionele laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen, WKK-installaties, windmolens. De technische specificaties voor dit materieel staan beschreven in Annex D “Technische basisvereisten van de elektriciteitsproductie-eenheid” van het voorschrift C10/11.
Kleine productie-installatie
Elektriciteitsproductie-installatie die voldoet aan alle voorwaarden hieronder:
- Vermogensgrens van de productie-eenheden
De som van het maximale vermogens van alle elektriciteitsproductie-eenheden mag niet hoger
zijn dan de limieten bepaald in Tabel 2 hieronder.

- Automatisch scheidingssysteem
Elke elektriciteitsproductie-eenheid moet beveiligd zijn door een automatisch
scheidingssysteem 10.
Dit automatisch scheidingssysteem kan ofwel geïntegreerd zijn in de elektriciteitsproductie
eenheid zelf (wat meestal het geval is), ofwel extern zijn. Als een extern systeem wordt
gebruikt:
- moet dit een ‘single fault tolerance’ hebben in overeenstemming met de norm EN
50549-1 en - moet dit van een type zijn dat door Synergrid is gehomologeerd en dat dan ook is
opgenomen in de lijst C10/21 die op de pagina ‘Gehomologeerde materialen’
gepubliceerd is op de website www.synergrid.be
Een extern automatisch scheidingssysteem kan meerdere elektriciteitsproductie-eenheden
beveiligen maar vereist wel bijkomende kablering.
Aansluiting
De aansluiting van de elektriciteitsproductie-eenheid op de elektrische installatie van de DNG gebeurt
op een veilige manier in overeenstemming met: –
de toepasselijke wettelijke verplichtingen; – –
de toepasselijke normatieve referenties;
volgens de regels van goed vakmanschap.
Aarding
De eventuele nulgeleider van de elektriciteitsproductie-eenheid mag enkel geaard worden indien een
galvanische scheiding met het distributienet verzekerd wordt door middel van een transformator. Zo
niet, dan is het verboden om de eventuele nulgeleider van de elektriciteitsproductie-eenheid te aarden.
Opmerking: Indien een elektriciteitsproductie-eenheid zonder mogelijkheid tot galvanische scheiding in
lokaal eilandbedrijf werkt en dus niet parallel werkt met het distributienet, is het mogelijk dat lokaal wel
een aardverbinding gemaakt wordt. Deze aarding moet dan ook vóór een parallelname met het
distributienet verbroken worden. Deze situatie moet ook vergrendeld zijn tijdens de parallelwerking met
het distributienet.
Bij een elektriciteitsproductie-eenheid aangesloten op meerdere fasen mag het onevenwicht tussen de
fasen de limiet van 5 kVA niet overschrijden.
Wanneer de elektriciteitsproductie-installatie bestaat uit meerdere eenfasige elektriciteitsproductie
eenheden, mag het maximaal vermogensonevenwicht tussen de verschillende fasen nooit groter zijn
dan 5 kVA. Er dient aldus op te worden toegezien dat de elektriciteitsproductie-eenheden optimaal
verdeeld zijn over de drie fasen. Het naleven van deze limiet moet gegarandeerd worden door het
ontwerp van de installatie, zonder een beveiligingsrelais tegen vermogensonevenwicht (zoals bedoeld
in § 7.6.7) te moeten plaatsen.